nieuw

Bikkelhet verhaal van een ridder die groeide

[door: Angélique de Waard, december 2018]
Soms schrijf ik een verhaal voor een cliënt. Deze gaf ik aan Bikkel (pseudoniem) en zijn maten van de deeltijdbehandeling.

Bikkel was een kleine ridder van zeven jaar. Hij woonde in een prachtig kasteel en had zo op het oog alles wat zijn hartje begeerde. Hij had een mooie glimmende fiets, een spelcomputer, vissen, het lekkerste eten van de wereld en speelgoed. Heel veel speelgoed. Maar alleen de kleine ridder wist dat dat de buitenkant was. Want de fiets bijvoorbeeld, was gekocht op de groei. Er zat een stang in zoals dat bij een mannenfiets hoort. Hij was te klein om daar overheen te stappen en toen zijn vader hem ooit met een flinke zwaai op het zadel had gezet, was hij bij het remmen gevallen. Hij had zich heel zeer gedaan en bedacht dat de fiets was om naar te kijken. En om over te fantaseren: wacht maar tot ik groot ben, dan fiets ik het kasteel rond, over de kantelen naar de ophaalbrug en zo de wijde wereld in. De spelcomputer was in het begin nog wel leuk geweest, maar de spelletjes die erop zaten kende hij al lang! Het ding lag op zijn kamer te wachten tot hij jarig werd. Dan zou hij nieuwe spelletjes vragen. De vissen waren mooi! Prachtig zelfs. Maar schuw. Altijd als Bikkel met zijn hoofd bij het water kwam, schoten ze alle kanten op. Bikkel dacht dat het door hem kwam. Want als zijn moeder met haar hand bij het water kwam, kwamen ze allemaal met hun bekjes boven het water uit. Soms plaagde moeder hun, dan kregen ze geen eten maar haar vinger in het water.
Bikkel zelf kreeg het lekkerste eten van de wereld. Elke dag. Het werd in grote hoeveelheden op de borden geschept. En die borden moesten leeg. De maaltijden waren niet gezellig. Om over de wijn nog maar te zwijgen: pap en mam dronken bij het eten altijd een glaasje. Of twee of drie. En daarna ontstond er altijd ruzie. Bikkel had al jong bedacht dat hij nooit zou gaan drinken. Daar kwamen nare dingen van. 
Dan was er nog het speelgoed, Bikkel had er veel van. En met alles had hij al eens gespeeld maar het mooiste was een kasteel met ridders. Ridders zoals Bikkel er ook een was. Hij speelde er graag mee. Liet de ophaalbrug zakken bij bezoek van mooie prinsessen en haalde deze vlug op als er een naar leger aan kwam. Hij gooide smeulende pek over de muren en haalde flauwe grapjes uit met de kooplieden op het marktplein. 

Op een dag was Bikkel jarig. Hij werd acht. En dat was een bijzondere leeftijd. Hij zou een harnas krijgen. Met een zwaard erbij. Dat harnas zou hem beschermen tegen knotsen en ander leed. En met het zwaard zou hij leren vechten. Als een echte ridder. Vroeg in de ochtend was hij naar beneden geslopen waar zijn cadeau al lag te wachten. Hij had het in de dagen voor zijn verjaardag moeten passen dus hij wist wat hij kreeg. En dat het een beetje te groot was. Net als de fiets: gekocht op de groei. Zodat hij nog maar twee keer een nieuwe hoefde te krijgen in zijn hele leven: als hij puber was en als hij een volwassen man werd. Lang keek hij naar het harnas, het glom in de opkomende zon. Zilverkleurig. En dan het zwaard: lang en groot met een stompe punt zodat hij nu hij nog klein was niemand echt zeer zou doen. Toen zijn ouders naar beneden kwamen lag Bikkel te slapen tussen zijn cadeaus. Ze zongen hem wakker, hesen hem in zijn harnas en gingen aan het werk. Want Bikkel was weliswaar jarig, maar er moest ook gewoon gewerkt worden. De visite kwam vanavond, bij het eten.

De maaltijd was zoals altijd: naar. Veel visite die wijn dronk. Veel wijn. En daar kwamen flauwe grappen van. En ruzie. Het enige fijne aan de maaltijd was het lievelingseten van Bikkel. En het enige goede aan de ruzies was dat Bikkel die avond een belangrijke beslissing nam: hij zou het harnas voor altijd dragen. Het maakte niet uit of het te groot was. Bikkel sliep erin en stond ermee op. Hij ging er mee naar school en zat ermee achter zijn spelcomputer. Hij had nu weer nieuwe spelletjes. En die waren beter dan de vorige! Op school lachten ze hem uit, vooral bij gym. Hij kon zich namelijk niet zo makkelijk bewegen door dat harnas. Maar het ging niet uit. Nooit. Nou ja, behalve bij het douchen. Maar dan zorgde Bikkel dat de deur op slot zat. En dat hij snel klaar was en z’n harnas weer aan kon.

Bikkel groeide met de jaren en het harnas begon te knellen. Bij elke stap die Bikkel deed, sneed een randje in zijn buik. Hij besloot om minder te bewegen en pakte z’n spelcomputer weer op. Ook at hij minder en kwam hij minder buiten. Hij had daar toch niks te zoeken. Het kasteel was eigenlijk alleen maar fijn als er geen andere mensen waren. Zodra het donker werd. Dan bedacht Bikkel draken en prinsessen en dat hij ooit op een dag een draak zou verslaan en een prinses zou trouwen. Ooit op een dag.

Op een van zijn nachtelijke tochten hoorde hij iemand prachtig zingen. Buiten de muren van de burcht. En ‘s nachts was de brug opgehaald, de deur afgesloten en liepen de poortwachters hun rondes. Bikkel kon dus niet zien wie er zo mooi zong. Over de muur klauteren was onmogelijk. Zijn harnas zat daarvoor te strak. Hij kreeg het ook al een paar weken niet meer uit. Het leek alsof de sloten waren gaan roesten. Maar Bikkel liet zich niet weerhouden. Avond aan avond zat hij naast de dichte poort te luisteren. Totdat hij het koud kreeg of totdat de stem plotseling ophield. Bikkel werd verliefd op de stem... Die verliefdheid zorgde voor blije gedachten, kriebels om op avontuur te gaan, stoere gevoelens en veel warmte. Naast het feit dat het harnas te strak zat, werd het nu ook uitzonderlijk warm. 

Op een ochtend, Bikkel ging al enige tijd niet meer naar school, raapte hij al zijn moed bij elkaar. Vandaag aan het einde van de middag zou hij naar de smid gaan. De smid moest het harnas dan maar openknippen. Bij die gedachte kreeg Bikkel het warm en koud tegelijk. Hij rilde en werd angstig. Want hoe moest hij zichzelf beschermen zonder harnas? De hele ochtend en een deel van de middag twijfelde hij. Eerst dacht hij: dat harnas gaat eraf. Meteen daarna dacht hij: nou, toch maar niet. Hij twijfelde zo erg dat hij zich zelfs niet meer kon richten op zijn spelcomputer. De middag vorderde en het werd vijf uur. Nu kwam het eropaan. De scherpe pijn in zijn buik was al lang niet meer het enige pijnlijke van het harnas. Elke stap deed zeer, aan zijn rug, zijn nek, onder zijn oksels, in zijn liezen. Toch had hij daar nooit last van gehad als hij bij de muur naar de stem luisterde. Dit laatste bracht Bikkel op een idee: in gedachten zat hij naast de poort te luisteren. De stem kwam in zijn hoofd, evenals de gevoelens van verliefdheid. Bikkel stapte zijn kamer uit, sloot de voordeur van het ouderlijk huis en ging op weg naar de smid. Kwart voor zes kwam hij bij de smid die hem uitvoerig bekeek en verschillende keren mopperde over het tijdstip waarop hij nog aan deze klus moest beginnen. Begreep Bikkel wel dat dit een heel moeilijk karwei was? Dat de smid goed moest opletten dat hij Bikkel geen pijn zou doen? Bikkel rilde en begreep het. En terwijl hij aan de stem dacht, begon de smid aan zijn karwei. Ver na sluitingstijd was Bikkel bevrijd. Zat hij koud en stinkend in de smidse. Eerst maar eens onder de douche, zei de smid. En hij gaf Bikkel een handdoek en enkele kledingstukken van zijn eigen zoon. Dan zal ik in tussentijd je zwaard nog even scherpen. Het is nu toch laat. Licht mopperend maar ook met verhuld plezier maakte de smid een fraaie scherpe punt aan het zwaard. Hij scherpte de bladen en legde het op de kleding naast de douchecabine.
‘Wees er voorzichtig mee, knul!’ brulde de smid over het geluid van het stromende water heen. ‘Dit zwaard snijdt aan twee kanten, als je iemand anders zeer doet, zal je dat zelf ook voelen.’
Na het douchen nam Bikkel afscheid van de smid. Hij bedankte hem uitvoerig en vroeg wel zes keer wat dit moest kosten. Maar de smid wou van geen betalen weten. Deze klus was zo bijzonder dat hij met geen geld te betalen was.
‘Maar wel met iets anders,’ zei de smid. ‘Zorg ervoor dat je gelukkig wordt. Je bent oud en wijs genoeg om de wereld in te gaan. Verlaat het kasteel, vind een plek om te wonen en iemand om lief te hebben. En kom dan nog eens terug voor een echt afscheid.’ 
Bikkel begreep de smid helemaal, maar als hij de stem even niet hoorde in zijn hoofd werd hij misselijk van angst. Hij had zijn harnas niet meer aan. Hoe moest hij zichzelf beschermen tegen de vlijmscherpe woorden van zijn ouders? Tegen de pesterijen op straat? 
‘Jij kan dit,’ zei de smid terwijl hij Bikkel een ferme handdruk gaf. ‘En pas op je zwaard, het snijdt nu aan twee kanten.’

In de dagen die volgden wende Bikkel aan de nieuwe beweeglijkheid. Zijn armen en benen waren niet zo sterk als hij dacht toen hij het harnas nog droeg. Wel konden ze nu alle kanten op. Ook zijn nek kon hij draaien zonder dat het sneed in zijn huid. Het voelde fijn en naar tegelijk. Naast deze nieuwe beweeglijkheid leek het ook alsof de woorden van zijn ouders hem minder raakten. Telkens als ze hem kleineerden hoorde hij in zijn hoofd de stem van de smid: jij kan dit! En voelde hij weer de ferme handdruk.Met de dagen voelde Bikkel zich sterker en wist hij: ik ga de burcht verlaten. Maar wanneer...

Elke avond als de zon was ondergegaan ging hij naar de ophaalbrug die dan dicht was. Hij luisterde naar de stem, voelde zich beter en ging weer naar huis. Op een avond kwam Bikkel een poortwachter tegen. Die vroeg wat hij elke avond kwam doen.
‘Luisteren,’ fluisterde Bikkel. Hij schaamde zich een beetje voor dit kinderachtige antwoord. Maar dat bleek niet nodig.
De poortwachter zei: ‘Als je dit zo mooi vindt, ga dan eens kijken wie er zo mooi zingt.’
‘Maar ik durf niet in het daglicht,’ zei Bikkel.
‘Dan moet je leren zwemmen,’ antwoordde de poortwachter. ‘Jij kunt dat!’
Dit waren de woorden van de smid. En met de smid had Bikkel een soort van afspraak. Bikkel besloot te luisteren en leerde zichzelf zwemmen.

De winter ging voorbij, de dagen werden langer en de nachten steeds korter. Hoewel Bikkel nu kon zwemmen, kwam hij met daglicht nog steeds niet buiten! Daardoor werd zijn tijd naast de poort, met de stem, steeds een beetje korter. Bikkel voelde aan alles dat er een spannend moment aankwam. Hij zou de burcht gaan verlaten. Hij kon dit, had de smid gezegd. Maar wanneer...

Op een dag, er was geen speciale aanleiding, besloot Bikkel dat het zover was. Hij wachtte tot het begon te schemeren, controleerde verschillende keren de scherpte van zijn zwaard, sneed zichzelf in zijn vinger en schold daarop hardgrondig. Op het zwaard en op zichzelf. Wat was hij toch een sukkel, geen knip voor de neus waard. Het zou nooit wat met hem worden... Er rolde een traan over zijn wangen. Dit waren de woorden van zijn ouders. En van de visite die nu dagelijks over de vloer kwam. Ze dronken veel en zeiden nare dingen. En Bikkel geloofde ze. Zoveel nare woorden tegenover drie hoopvolle woorden van de smid. En van de poortwachter: jij kunt dit. Bikkel twijfelde, kon hij dit echt? Kon hij de wijde wereld in? Kon hij iemand vinden die van hem zou houden? Zou de mooie stem, waar hij elke avond naar luisterde, horen bij iemand die van hem zou kunnen houden? Bikkel voelde nu van alles in zijn lijf: angst en hoop, verdriet en vrijheid. Maar hij voelde ook dat hij moest gaan want als hij nu zou blijven, had hij het aan zichzelf te danken, dat het was zoals het was. Nog eenmaal keek Bikkel om zich heen. Hij haalde diep adem en vertrok. 

De voordeur viel met een ferme klik in het slot. Dit geluid zou Bikkel nooit meer horen. Hij voelde zich nu al bevrijd. En angstig tegelijk, het schemerde. Er waren nog mensen op straat. Zouden ze naar hem kijken? Hem aanspreken? Bent u nieuw hier, aan hem vragen? En wat moest hij dan zeggen? Ik woon hier mijn leven lang al maar ik kom nooit buiten als het licht is? Veel tijd had Bikkel niet om na te denken. De nacht viel snel in en Bikkel moest zich haasten.

‘Te laat,’ zei een poortwachter. Hij draaide juist de poort op slot. ‘Morgen is er weer een dag.
‘Ik dacht het niet,’ zei Bikkel. Hij was vandaag niet gekomen om, zoals op andere dagen, te luisteren en weer naar huis te gaan. Hoewel hij de stem nog niet hoorde, klom hij op de muur. Vastberaden trok hij zijn kleding uit, maakte er een rolletje van en gooide dit over de slotgracht. Nu kon hij niet meer terug. Bikkel haalde diep adem en sprong. Bikkel ging kopje onder en kwam boven. Een koude rilling ging door hem heen. Nu kwam het eropaan. Nu moest hij zwemmen. Tot nu had Bikkel alleen maar geoefend in ondiepe poeltjes waarin hij kon staan. Deze gracht was diep. En smerig. Bikkel bewoog zijn armen en benen zoals in het ondiepe poeltje. Hij draaide rondjes en zwom toen in een rechte lijn naar de vaste wal. Eenmaal aangekomen stonk Bikkel een uur in de wind. Maar hij moest verder. Al wist hij niet waarheen want de stem was er nog niet. Even twijfelde Bikkel. Stel je voor dat ze verkouden was? Of gewoon geen zin had om te zingen vanavond? Zou je net zien, bedacht hij schamper. Stond hij daar, in al zijn vrijheid en wist hij niet welke kant op te gaan. Jij kunt dit, hoorde hij weer de stem van de smid in zijn hoofd. En Bikkel kleedde zich aan. Nam zijn zwaard terzijde en stapte op goed geluk de wereld in. Weldra was het pikkedonker. Er klonk een uil. En toen opeens: de stem. Vlakbij! Vergezeld door zijn eigen hartslag liep Bikkel in de richting van de stem. En wat hij toen zag overtrof zijn stoutste dromen.

Rond een kampvuur zaten mensen. Ze maakten zachtjes muziek en luisterden naar een prachtige vrouw die zong. De stem! dacht Bikkel en zijn hart maakte een sprongetje. Hij werd verwelkomd en mocht aanschuiven in de kring. Onwennig keek hij om zich heen. Wie waren al deze mensen? En waar moest hij heen als zij gingen slapen? Bikkel kreeg een kom soep en een groot glas wijn. De soep at hij op, de wijn liet hij staan. Scherp keek hij om zich heen: wie hadden er gedronken? Bikkel verwachtte ruzie. Maar de ruzie bleef uit. Het vuur werd opgestookt en het werd warmer en later. Bikkel leerde dat deze mensen zichzelf zigeuners noemden. Ze waren gastvrij en nieuwsgierig. Zo vroegen ze Bikkel hoe hij heette en waar hij vandaan kwam. Ik ben Bikkel de Ridder, zo stelde hij zichzelf voor. En ik woon overal. Bikkel kletste er maar zo'n beetje in om. Deels omdat hij zich nu zo vrij voelde, dat hij niet wist wat hij daarmee aan moest. Deels ook omdat hij bang was dat ze hem terug zouden brengen als ze hoorden dat hij pas 16 was en alleen van huis. Bikkel was alleen eerlijk tegen Fleur. Zo heette de prachtige stem. Zij hoorde die avond en de avonden die volgden dat Bikkel twee nare ouders had. Dat hij een fiets had die lang te groot maar nu veel te klein was. Dat hij jaren in een harnas leefde waardoor hij nu extra gevoelig was. Maar dat gaf niks want Fleur vond Bikkel vanaf het eerste moment interessant, daarna leuk en al snel hield ze van alles wat Bikkel heette. Hij leerde haar zwaardvechten, zij leerde hem huilen. Hij leerde haar zwemmen, zij leerde hem gitaarspelen. Langzaam maar zeker werd Bikkel onderdeel van deze nieuwe familie. Er was maar een ding dat hem tegenhield bij het volledig gelukkig zijn: hij voelde het niet. Nog steeds herinnerde hij zich soms nare dingen van thuis. Miste hij zijn spelcomputer hoewel hij al heel lang niks meer om het ding gaf. Ook had hij nachtmerries of moeite met slapen. Hoe hij ook zijn best deed, iets in hem was rusteloos. En daarmee ook zijn lijf. Met name zijn benen, Bikkel wandelde wat af! 

Toen hij op een dag terugkwam van een van zijn wandelingen stond hem een onaangename verrassing te wachten. Een koopman was langs geweest en had een poster achtergelaten. Bikkel werd gezocht, door zijn ouders. En er werd een flink bedrag uitgekeerd aan wie hem zou vinden. De complete nieuwe zigeunerfamilie was in rep en roer. Er volgden discussies want het geld konden ze goed gebruiken. Er volgden nare woorden en een enkele vuistslag. Toen nam Bikkel een beslissing. Hij zou teruggaan naar zijn ouders. Hij zou ze vertellen dat het goed met hem ging en dat hij niet meer bij ze kwam wonen. En daarna zou hij langs de smid om echt afscheid te nemen. Bikkel voelde aan alles dat hij dit kon. En Fleur ging met hem mee.

Onderweg naar de burcht gingen alle mogelijke scenario’s door zijn hoofd. Als zijn vader boos zou worden, zou hij zijn zwaard gebruiken. Als zijn moeder zou gaan huilen, zou hij zijn zakdoek geven. Als ze nare dingen gingen zeggen, zou hij omkeren en vertrekken. En zo ging het. Aangekomen bij het ouderlijk huis deed zijn vader open. Bars zei deze: ‘Aan de deur wordt niet gekocht.’ Toen keek hij op en zag zijn zoon. En in plaats van blijdschap, zag Bikkel boosheid. In plaats van een omhelzing, trok Bikkel zijn zwaard. Toen kwam zijn moeder tevoorschijn. Dikke tranen stroomden over haar wangen. Bikkel nam zijn zakdoek en gaf die aan zijn moeder. In plaats van lieve woorden volgde een verwijt: ‘Waarom heb je niets gezegd toen je vertrok?’
Bikkel schraapte zijn keel en zei met vaste stem: ‘Ik ben gekomen om afscheid te nemen. En ik zou het fijn vinden als jullie de beloning intrekken. Ik leef en het gaat goed met mij.’ Daarna gaf hij beide mensen een hand en vertrok. Geen traan, geen boosheid. Het was zoals het was.

De smid was aan het werk toen Bikkel met Fleur de smederij in stapte.
‘Nee maar, wie hebben we daar!’ riep de smid. Hij legde zijn werk neer. Gaf Bikkel een ferme handdruk en een omhelzing. ‘Jongen wat ben jij gegroeid.’ Ontroerd bekeek hij Fleur. ‘Ik zie dat je iemand hebt gevonden om van te houden.’
Fleur gaf de smid een hand. Na een poosje kijken en bekeken worden, na veel aardige woorden en nogmaals een handdruk, vroeg de smid hem te volgen. In het vuur lag een hoefijzer oranje te smeulen. De smid nam het uit het vuur en sloeg erop tot de vonken eraf spatten. Daarna doofde hij het ijzer met water en gaf het aan Bikkel.
‘Dit was je harnas,’ zei hij plechtig. ‘Het heeft je beschermd en nu brengt het geluk.’
Er rolde een traan over Bikkels wangen. Voor het eerst in zijn leven voelde hij warmte vanbinnen, daar waar hij het nog niet eerder had gevoeld. Zijn buik, zijn benen, zijn armen, zijn rug, alles werd warm. Toen moest Bikkel huilen. Van geluk. Dit was het gevoel van familie, wist Bikkel. Bikkel hoorde bij de smid. En bij Fleur. En haar hele familie.